Voor doorverwijzers

Voor doorverwijzers

Op deze pagina vindt u informatie over:

 

Laaggeletterdheid in cijfers

Wist u dat….

  • We in Nederland maar liefst 2,5 miljoen mensen hebben die moeite hebben met lezen, schrijven en/of rekenen.
  • Er circa 740.000 laaggeletterde werknemers zijn.
  • Laaggeletterden 3x keer zo vaak afhankelijk zijn van een uitkering als niet-laaggeletterden
  • De helft van de mensen met financiële problemen waarschijnlijk ook moeite heeft met lezen en schrijven.
  • En dat 17,9% van de 15-jarigen een risico loopt om laaggeletterd te worden.
  • Laaggeletterden meer kans hebben op een slechte gezondheid dan mensen die geletterd zijn.[1]

Dat betekent dat werkgevers, UWV, Sociale Dienst, sociale wijkteams, scholen en (huis)artsen een belangrijke rol kunnen spelen in het herkennen en doorverwijzen van laaggeletterden.

Door het taboe dat rust op een taalbeperking zijn laaggeletterden bijzonder goed in zich verbergen.

  • Ze nemen het formulier wel mee naar huis om thuis in te vullen, want ze hebben hun bril niet bij zich.
  • Of ze hebben een lelijk handschrift, dus misschien is het beter als u het voor ze invult.
  • En meer cultureel gebonden, ze beantwoorden elke vraag met ja maar, gaan daarna niet over tot actie.

Fysiek merkt u…

  • Dat ze uitgedeelde informatie niet eens bekijken, maar direct wegstoppen.
  • Ze bewegen daarnaast vaak van u weg als u ze vraagt iets in te vullen.
  • Of ze worden nerveus en/of onrustig en hun spraak onduidelijk.
  • Daarnaast reageert een klein aantal ook agressief om u te overrompelen.

Zo doen ze er alles aan om te vermijden iets ter plekke te moeten lezen of schrijven. Door ook goed op te letten op signalen zoals:

  • Het niet noteren van afspraken
  • Het stellen van vragen die schriftelijk al zijn uitgelegd
  • En het niet ondernemen van acties die via schriftelijke weg zijn doorgegeven
  • Het niet aanleveren van gewenste formulieren of andere bewijzen

kunt u wel het vermoeden ontwikkelen dat hier sprake is van een taalbeperking.

Stap 1

Ga in dat geval als volgt te werk.

  • Normaliseer eerst het onderwerp laaggeletterdheid.
  • Wijs uw cliënt erop dat hij niet alleen is. Als hij altijd heeft meegemaakt dat hij in de klas maar slecht meekomt ontwikkelt hij dikwijls het idee dat hij hierin uitzonderlijk is. Er zijn echter meer dan een miljoen mensen zoals hij. 
  • Vraag hem daarom ook vooral naar hoe hij dingen ervaart.

Er zijn heel veel mensen die moeite hebben met dit soort formulieren/folders/brieven/etc.
Hoe is dat voor u? 

Op die manier heeft u een mooi begin voor een gesprek over eventuele taalbeperkingen. Stichting Lezen & Schrijven heeft de Basismeter, Taalverkenner en Contextgerichte vragen ontwikkeld om laaggeletterdheid mee te kunnen onderzoeken. Kijk voor meer informatie op: https://www.lezenenschrijven.nl.

Stap 2

Nu het gesprek opengebroken is complimenteer je de cliënt allereerst voor zijn eerlijkheid. Het is bijzonder dapper om het taboe te overwinnen en je zo bloot te geven. Reageer vooral vanuit je hart. Toont empathie en geef aan dat je er voortaan rekening mee houdt. Leven met een taalbeperking kan bijzonder eenzaam zijn. Daarbij stil staan kan heel veel betekenen. Je kunt hem daarna voorzichtig meenemen in zijn opties. Want beter lezen en schrijven is zeker niet alleen voor de jeugd weggelegd. Iedereen kan er wat aan doen!

Dank u wel voor uw openheid! Wat fijn dat u dit met me deelt!
Hoe gaat het nu met u? Voelt u zich hierdoor weleens eenzaam?
U bent hierin niet alleen!

Wat goed dat u dat zegt! We zullen daar rekening mee houden door eenvoudige brieven te sturen.
We zullen meer tijd nemen om u te helpen met de post.

Wie helpt u hier normaal mee? Hoe is dat? Zou u het niet fijn vinden om het zelf te kunnen?
Wist u dat er vrijwilligers zijn in de bieb, het wijkcentrum, etc, die u kunnen helpen?
We kunnen er misschien samen eens gaan kijken.

Stap 3

De cliënt bepaalt uiteindelijk of hij er echt iets mee wil doen. Hij behoudt hierin de regie. Het kan soms best een aantal ontmoetingen duren voordat men echt de stap durft te nemen.

U hoeft er in principe niets mee te doen, ik geef het u alleen mee.

Als iemand er inderdaad mee aan de slag wil, is het heel belangrijk dat u hem warm overdraagt. U vindt het dichtsbijzijnde taalpunt via uw lokale site en/of bibliotheek en anders via http://taaltoets.eu/taalonderwijs-in-nederland/ 

Stap 4: tool formeel of informeel doorverwijzen

Het taalpunt onderzoekt waar iemand het beste terecht kan. Er wordt vanuit de gemeente een aanbod gedaan vanuit de Wet Educatie & Beroepsonderwijs (WEB) en daarnaast zijn er zowel formele als informele aanbieders. Op de pagina “(Taal)onderwijs in Nederland” vindt u een uitgebreide uitleg over de verschillen tussen formeel en informeel aanbod, een link naar al het formele onderwijs in Nederland en een overzicht van alle informele taalhuizen per provincie waar u contact mee kunt maken. Zo kunt u en uw cliënt er direct mee aan de slag.

Soms is het lastig om te bepalen waar iemand thuis hoort en is er wellicht ook geen taalpunt dat u verder kan helpen. Dan vindt u hieronder een tool die u helpt om te bepalen of iemand het beste tot zijn recht komt in het formele of informele / nonformele aanbod. Dit is niet bedoeld om te bepalen of iemand een taalbeperking heeft. Dat heeft u als het goed is door een goede vraagstelling zelf al bespreekbaar gemaakt. Echter, wanneer iemand daarna open staat ermee aan de slag te gaan wilt u natuurlijk het momentum niet verliezen. Deze tool helpt u bij het geven van het juiste advies.

Klik hier voor het openen van de vragenlijst.

Stap 5

Voor een overzicht van het actuele aanbod in uw buurt kunt u het best kijken op een lokale site zoals bijvoorbeeld: https://www.taalonderwijsdrechtsteden.nl/ 

[1] Stichting Lezen & Schrijven & Maastricht University, Feiten & cijfers laaggeletterdheid. De invloed van lage basisvaardigheden op deelname aan de maatschappij. Maastricht 2018. Voor meer cijfers kijk op www.lezenenschrijven.nl